
Historie
Sal Meijer, een verhaal van herinnering, vakmanschap en humor
Sal Meijer (1906–1994) was meer dan de oprichter van een bekende slagerij en broodjeszaak. Hij was een man die gevormd werd door een wereld die grotendeels verdwenen is: het vooroorlogse Joodse Amsterdam, met zijn ambachten, omgangsvormen, humor en vanzelfsprekende verbondenheid binnen de gemeenschap. Die wereld droeg hij zijn hele leven met zich mee.
In het naoorlogse Amsterdam was Sal Meijer geen merk en geen legende. Hij was een man achter een toonbank, met een schort om, een scherp oog voor zijn vak en een uitgesproken manier van kijken naar mensen en de wereld. Tegelijk groeide hij uit tot een markante figuur binnen het Joods-Amsterdamse leven: een overlever, een drager van herinnering en iemand die zijn identiteit niet los kon zien van geschiedenis, gemeenschap en verlies.
Vanaf het einde van de jaren vijftig runde Sal Meijer zijn bescheiden zaak aan de Jodenbreestraat, later voortgezet aan de Nieuwmarkt en de Scheldestraat. Wat hij verkocht was eenvoudig: vlees en belegde broodjes. Maar zijn zaak was meer dan een plek om te eten. Zij werd een ontmoetingspunt voor buurtbewoners, Joden uit binnen- en buitenland, journalisten, kunstenaars en vaste klanten. Een plek waar gesprekken ontstonden, waar gelachen en gezwegen werd, en waar een gevoel van continuïteit bestond in een stad en gemeenschap die nog herstellende waren van oorlog en ontwrichting.
Sal Meijer had de oorlog en het verlies van veel naasten aan den lijve ondervonden. Toch droeg hij die geschiedenis zonder pathos. In gesprekken en interviews sprak hij over zijn verleden zonder zichzelf centraal te stellen. Slachtofferschap lag hem niet; relativering en humor des te meer. Zijn vaak droge, soms scherpe humor was geen oppervlakkigheid, maar een manier om te leven met wat was gebeurd. Lachen was voor hem geen ontkenning van het verleden, maar een vorm van overleven.
Het broodje halfom en het warme pekelvlees werden later de meest zichtbare symbolen van zijn werk. Niet door ambitie of promotie, maar door dagelijks vakmanschap. Voor Sal Meijer draaide het om aandacht voor het vak, zorg voor voedsel en respect voor de mensen voor wie hij werkte. In interviews benadrukte hij steevast dat roem hem vreemd was; hij zag zichzelf niet als icoon of voorbeeld, maar als iemand die zijn werk deed en zijn leven leefde.
Journalist G. Philip Mok omschreef Sal Meijer in diens necrologie “Vorst van de Ballingschap” als iemand die de ervaring van verlies, ontheemding en overleving belichaamde, maar die tegelijk vasthield aan zijn Joodse identiteit, zijn humor en zijn culturele wortels. Zijn zaak was geen attractie en geen concept, maar een vast punt in het leven van velen. De betekenis lag niet in wat er werd verkocht, maar in hoe het werd gedaan: zonder opsmuk, zonder grootspraak, met bescheidenheid en waardigheid.
Na zijn overlijden in 1994 bleef Sal Meijer voortleven in herinneringen, verhalen en artikelen. Wat hij naliet was geen formule, geen franchise en geen commercieel idee, maar een cultureel en moreel erfgoed dat onlosmakelijk verbonden is met zijn persoon, zijn waarden en zijn tijd. Dit erfgoed laat zich niet losmaken van de historische context waarin het ontstond, en evenmin reduceren tot een hedendaags format.
De Stichting Erfgoed Sal Meijer is opgericht om dit verhaal te documenteren, te bewaren en te duiden. Niet om het te exploiteren, maar om het in context te plaatsen. Om vast te leggen wat Sal Meijer vertegenwoordigde: een generatie, een mentaliteit en een vorm van menselijkheid die niet reproduceerbaar is.
Dit is geen verhaal over nostalgie om de nostalgie.
Dit is een verhaal over herinnering, humor, vakmanschap en gemeenschap.
